De Vecht is van oorsprong een kleine rivier – een oude tak van de Rijn tussen Utrecht en Muiden, die de verbinding vormt tussen de Kromme Rijn en het IJmeer en van zuid naar noord stroomde. Tegenwoordig is het een (bijna) stilstaand boezemwater, dat in verbinding staat met het Amsterdam Rijn Kanaal. In 1996 is de uitvoering van het Restauratieplan Vecht (RPV) gestart, gericht op verbetering van de waterkwaliteit, waaraan alle Vechtgemeenten, rijkswaterstaat, de provincies en waterschappen hebben meegedaan. Via de Vecht vindt wateraan- en afvoer plaats van en naar de polders ten oosten van het Amsterdam Rijnkanaal.
Vecht (NL11_1_2) heeft watertype “grote diepe kanalen met scheepvaart” (M7b) en het wateroppervlak van het waterlichaam is 328 hectare.
Het waterlichaam bestaat uit de deelgebieden:
3000-EAG-2 (Vechtboezem, Vecht van Muiden tot Nigtevecht), 3000-EAG-3 (Vechtboezem, Vecht van Nigtevecht tot Maarssen), 3000-EAG-4 (Vechtboezem, Vecht van Maarssen tot Utrecht)
Het waterlichaam ligt in de provincie(s) Noord-Holland en Utrecht en gemeente(n) Diemen, Gooise Meren, Stichtse Vecht, Utrecht, Weesp en Wijdemeren. Het waterlichaam Vecht heeft de status KRW waterlichaam en is in eigendom van Gemeenten Amsterdam, Gooise meren, Stichtse Vecht, Utrecht, Weesp, Waterschap Amstel, Gooi en Vecht, Natuurmonumenten, Vitens en particulieren.
De doelen
Het KRW-doel is het realiseren van een goede ecologische toestand voor Grote diepe kanalen met scheepvaart (M7b), met scores voor fytoplankton, macrofauna, waterflora en vis in het groen. Het streefbeeld is: helder water, er groeien waterplanten in de oever en luwe delen en circa 50% van de oevers is natuurvriendelijk. De macrofauna en visstand is gevarieerd. De doelsoorten van het Restauratieplan Vecht (Ringslang, IJsvogel en Snoek) komen algemeen voor. Diverse gebieden rondom de Vecht hebben de status Natura2000-gebied. Dit zijn natuurgebieden die zijn aangewezen door het minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Deze Natura2000-gebieden langs de Vecht laten water vanuit de boezem in om het water in droge tijden op peil te kunnen houden. Voor deze gebieden is het van groot belang dat de waterkwaliteit van het inlaatwater goed is.
De huidige toestand vergeleken met de doelen –matig
De toestand in Vecht (zwarte lijnen in de figuur hiernaast) is matig. Het biologische kwaliteitselement met het laagste oordeel is Ov. waterflora. De slechts scorende deelmaatlat van dit kwaliteitselement is Abundantie groeivormen macrofyten. De slechts scorende indicator van deze deelmaatlat is Bedekking Emerse planten. De vegetatie is licht verbeterd qua bedekking en soortensamenstelling (zowel hydrofyten als helofyten) en macrofauna ook. De vistand in de Vecht is stabiel, met een vrij lage relatieve biomassa aan brasem en karper. De score op de maatlat Fytoplankton vertoont een negatieve trend (-0.56 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). Deze trend is gebaseerd op twee meetjaren. De score op de maatlat Waterflora vertoont een positieve trend (0.15 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Macrofauna vertoont een positieve trend (0.28 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Vis vertoont geen trend. Het doorzicht neemt toe in de laatste planperiode (vooruitgang 2020 tov 2015).
Oorzaken op hoofdlijnen
De oorzaak van deze ontoereikende kwaliteit is de hoge voedselrijkdom van het waterlichaam. Halverwege de Vecht ligt de Horstermeerpolder. Deze polder kenmerkt zich door veel kwel met onder andere relatief veel chloride (zout) en nutriënten. Dit water wordt uitgemalen op de Vecht. Daarnaast bevindt zich hier de uitlaat van effluent van de rioolwaterzuivering Horstermeer. Zonder ingrepen van het waterschap stroomt dit water naar het noorden, richting de inlaten voor de Spiegelplas en de Naardermeer (beide Natura2000-gebieden). Om te voorkomen dat het licht brakke Horstermeerwater deze zoete plassen verzilt, wordt er ’s zomers via de Groote Zeesluis in Muiden water uit het IJmeer of Markermeer ingelaten in de Vecht. Aan de zuidkant van de Vecht wordt de waterkwaliteit beïnvloed door de rioolwaterzuiveringsinstallaties van Utrecht en Maarssen. Door uitslagwater van de Horstermeer kan in het voedselrijke en relatief stilstaande water makkelijk algen gaan groeien. Dit is vooral het geval ten zuiden van de Horstermeer. Op plekken waar het water sneller stroomt bloeien er geen algen in het water, maar komen korstvormige algen voor die het lichtklimaat voor ondergedoken waterplanten belemmeren. De belasting met voedingsstoffen is de afgelopen jaren wel afgenomen door verbeteringen in RWZI’s en het baggeren van de Vecht. Op luwe en ondiepere locaties, zoals het Ballastgat en bij natuurvriendelijke oevers, komen (onder)waterplanten voor. De soortenrijkdom van waterplanten en fauna is beperkt door de hoge voedselrijkdom en het beperkte lichtklimaat. Er is een gering begroeibaar areaal aanwezig in de Vecht langs de oevers en dit areaal staat onder druk door overkluizingen (steigers), golfslag en opwerveling van bodemdeeltjes. Een achteruitgang van de waterkwaliteit in het IJmeer of Markermeerwater is een risico voor de kwaliteit van de Vecht omdat dit een grote bron van inlaatwater is in het noorden van de Vecht, die in droge zomers van belang is om te voorkomen dat het water uit de Horstermeer naar het noordelijk deel van de Vecht stroomt.
Maatregelen op hoofdlijnen
Een deel van de maatregelen zijn gericht op verder verminderen van de fosforbelasting, bijvoorbeeld door maatregelen in de landbouw en te sturen op waterstromen. Er zijn ook maatregelen gericht op verbeteren van de habitatomstandigheden, zoals aanleg van natuurvriendelijke oevers en het creëren van vaarluwe zones en handhaven op maximale snelheid.
Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.
|
|
Productiviteit water vormt een probleem. Lokaal zien we daardoor algen en een voedselrijke vegetatie. Dit komt doordat de externe belasting met fosfaat groter is dan de draagkracht van het boezemsysteem. Net zuidelijk van de Horstermeer wordt het water ouder dan in andere delen van de Vecht. In oud water komen voedingsstoffen tot expressie en gaan algen bloeien. Wanneer het water niet oud wordt krijgen vrij zwevende algen geen kans om te bloeien, maar kunnen korstvormige algen (epifyton) in hoge dichtheid groeien en het lichtklimaat voor onderwaterplanten beperken. De belangrijkste bronnen van nutriënten zijn: de RWZI Utrecht en (landbouw)polders. De fosforbelasting op de Vecht is de afgelopen jaren wel verminderd: De RWZI Utrecht loost minder fosfor (10-20% van de totale fosforbelasting) en RWZI Maarssen loost niet meer op de Vecht. De achteruitgang van de kwaliteit van het IJmeer- en Markermeerwater is een risico voor de kwaliteit van de Vecht, omdat dit water wordt ingelaten in het noorden van de Vecht. |
|
|
Lichtklimaat vormt een probleem. Het doorzicht is voldoende voor de groei van ondergedoken waterplanten (er is minstens 70 cm doorzicht). Er valt meer dan 4% licht op 1 meter waterdiepte. Echter, door de hoge concentraties fosfaat in het water zijn er veel korstvormige algen en deze doven het licht uit. Er is een gering ondiep areaal aanwezig waar nog licht op de bodem valt in de Vecht. De oevers staan onder druk door overkluizingen (steigers), golfslag en opwerveling van bodemdeeltjes. Vegetatie kan hersteld worden door het creeren van vaarluwezones, vooroevers en aanplanten van vegetatie in deze zones. |
|
|
Productiviteit bodem vormt een probleem omdat er sprake lijkt te zijn van ammoniumtoxiciteit: er zijn hoge concentraties ammonium gemeten in de waterbodem van de Vecht. Er wordt namelijk sulfaatrijk water ingelaten bij Muiden. In delen van de Vecht komen wel waterplanten voor, dus dit vormt niet overal een probleem voor de ontwikkeling van oever- en ondergedoken vegetatie. |
|
|
Habitatgeschiktheid vormt een probleem. Er is een gering begroeibaar areaal aanwezig in de Vecht langs de oevers en dit areaal staat onder druk staat door overkluizingen (steigers), golfslag en opwerveling van bodemdeeltjes. Ook wordt maaisel en tuinafval in de bestaande oevers gedumpt. |
|
|
Verspreiding vormt geen probleem. De doelsoorten zijn in de omgeving aanwezig en kunnen er ook komen. |
|
|
Verwijdering vormt mogelijk een probleem: vraat door ganzen kan een mogelijk knelpunt vormen voor de ontwikkeling van oevervegetatie. |
|
|
Organische belasting vormt geen probleem. |
|
|
Toxiciteit vormt geen probleem. Dit is gebaseerd op de kennis dat in het zuidelijk deel van de Vechtboezem geen hoge toxische druk gemeten is (SIMONI < 1.0) en ook niet nabij de RWZI Utrecht. |
Deze factsheet is gebaseerd op de KRW toetsing aan (maatlatten 2018) uit 2019, begrenzing waterlichamen 2015-2021, hydrobiologische data 2006-2018 en conceptmaatregelen en doelen voor SGBP3 en Achtergrondrapport boezemplan (2018), Aanpassen inlaatregime Muiden (XXXX), Icoonproject de Vecht (2018).
| ESFoordeel | SGBPPeriode | Naam | Toelichting | BeoogdInitiatiefnemer | UitvoeringIn |
|---|---|---|---|---|---|
|
|
SGBP3 2021-2027 | Maatregelen in de landbouw om nutriëntenbelasting op de waterlichamen te beperken | Aan deze maatregel wordt uitvoering gegeven via Agrarisch waterbeheer en Waterdiepte op maat. De maatregel is relevant voor dit waterlichaam, omdat er veel agrarische polders naar de boezem afwateren. Precisiebemesting, bodemverbetering en routemaatregelen (bufferzone) zijn maatregelen die opgenomen zijn in agrarische beheerpakketten, investeringssubsidies. We gaan samen met de landbouw een nieuwe stimuleringsregeling voor bovenwettelijke maatregelen nutriënten faciliteren. Vrijwillige maatregelen worden geagendeerd door een watermakelaar en gepresenteerd in studieclubs. Op https://maatregelen-op-de-kaart.nmi-agro.nl/ kan per perceel worden opgezocht welke maatregelen het best uitvoerbaar en nuttigst zijn. Wij zijn regionaal uitgegaan van de goede landbouwpraktijk (GLP) in 2027. De uitworp uit een landbouwpolder neemt daardoor 10% af, voor een belangrijk deel door een grotere retentie door een grotere waterdiepte (meer slootonderhoud) en een afname van meststofverliezen. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2021-2027 |
| SGBP2 2015-2021 | Aanpassen RWZI Horstermeer (kwaliteit effluent verdergaand verbeteren na evaluatie) | Deze maatregel is uitgevoerd. De kwaliteit van het effluent is nu zo goed als mogelijk. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2015-2021 | |
| SGBP2 2015-2021 | Beperken fosfaatbelasting rwzi Utrecht (autonoom) | Deze maatregel wordt genomen in waterlichaam Vecht, maar heeft ook een positief effect voor Molenpolder en Tienhoven en Wijde Blik. | HDSR | 2015-2021 | |
| SGBP2 2015-2021 | Maatregelen landbouw om nutrientenbelasting op de waterlichamen te beperken fase 1 | Deze maatregel wordt uitgevoerd in meerdere waterlichamen: Amstellandboezem, Vaarten Ronde Hoep, Vaarten Groot Mijdrecht, Bovenkerkerpolder, Noorderlegmeer, Groot Wilnis-Vinkeveen Zuid, Polder Demmerik, Vaarten Zevenhoven, Tussenboezem Vinkeveen a, Mijdrechtse Bovenlanden, Vinkeveense Plassen, Vecht, Vaarten Vechtstreek, Stichts Ankeveense Plassen, Kortenhoefse Plassen, Spiegelplas, Wijde Blik, Loosdrechtse Plassen, Ster en Zodden, Maarsseveense Zodden en omgeving, Molenpolder en Westbroek | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2015-2021 | |
| SGBP2 2015-2021 | Verdergaande P-reductie rwzi Maarssen (na evaluatie) | De RWZI is sinds juli 2019 geamoveerd en loost niet meer op de Vecht. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2015-2021 | |
| SGBP1 2009-2015 | Aansluiten ongerioleerde woonboten Vecht | Het gaat om het aansluiten van alle ongerioleerde woonboten langs de Vecht | Gemeente Diemen, Gooise Meren, Stichtse Vecht, Utrecht, Weesp en Wijdemeren | 2009-2015 | |
| SGBP1 2009-2015 | Onderzoeken aanpassen spuiregime Muiden | Een onderzoek naar de mogelijkheden om het spuiregime bij Muiden aan te passen. Dit blijkt niet zinvol | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2009-2015 | |
| SGBP1 2009-2015 | Onderzoeken verminderen belasting Vecht e.o. door RWZI Utrecht | Een onderzoek naar de mogelijke maatregelen om de belasting van de Vecht vanuit de rwzi Utrecht te verminderen. Het onderzoek wordt onder regie van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden uitgevoerd. | HDSR | 2009-2015 | |
| SGBP1 2009-2015 | Realiseren P-reductie rwzi Horstermeer (autonoom) | Het gaat om het realiseren van maatregelen om de rwzi aan de wettelijke lozingseisen te laten voldoen | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2009-2015 | |
| SGBP1 2009-2015 | Uitvoeren maatregelen voor P-reductie rwzi Maarssen (autonoom) | Vervangen door andere maatregel | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2009-2015 | |
| Niet opgenomen in SGBP | Het minimale debiet van de Weerdsluis en het Westriool op 4,5 m3/s (in totaal). | De Vecht wordt in het zuiden ook gevoed vanuit de Weerdsluis en het Westriool (de Oude Gracht in Utrecht). In normale situaties is het (gecombineerde) debiet van deze wateren bij de Rode Brug minimaal 2,5 m3/s. Door dit debiet stroomt de zuidelijke Vecht, met daarin effluent uit de RWZI Utrecht, naar het noorden. In extreem droge tijden mag het debiet van de Weerdsluis en Westriool volgens het waterakkoord (HDSR en AGV, 2007) worden verlaagd naar 2 m3/s. In deze situatie (met een verlaagd debiet van 2 m3/s) is er te weinig water beschikbaar om het effluent van de RWZI Utrecht mee te mengen. Het gevolg hiervan is dat de concentratie effluent in de zuidelijke Vecht stijgt. Dit verdunde effluent wordt ingelaten in de polders in de directe omgeving van de Vecht, waaronder Polder Achttienhoven, het landbouwgebied van de Molenpolder en de Kleine en Grote Maarsseveenseplas. Het is gewenst om het minimale debiet van de Weerdsluis en het Westriool op 4,5 m3/s (in totaal) te houden om zo te zorgen voor voldoende menging van effluent met oppervlaktewater in de Vecht. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2015-2021 | |
|
|
SGBP1 2009-2015 | Uitvoeren waterbeheermaatregelen Vecht, baggeren waterbodem | Het gaat om een langjarig saneringsproject waarbij de gehele Vecht op verschillende locaties wordt gebaggerd van waterkwaliteitsoverwegingenDe omvang is bij de rapportage 2013 op basis van monitoring gegevens naar boven bijgesteld van 2.000.000 m3 naar 2.500.000 m3 | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2009-2015 |
|
|
SGBP3 2021-2027 | Aanleggen natuurvriendelijke oevers | Aan gemeenten vragen wij om bij herinrichting van de openbare ruimte en/of onderhoud aan oevers deze natuurvriendelijk in te richten door bijvoorbeeld vooroevers aan te leggen om luwte te creëren en vegetatie te beschermen tegen golfslag. Ook binnen de bebouwde kom en bij beschoeide oevers zijn hier mogelijkheden voor. | 2021-2027 | |
| SGBP3 2021-2027 | Handhaven op maximum vaarsnelheid | Inclusief communicatie waarom deze maatregel belangrijk is voor de ecologische waterkwaliteit. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2021-2027 | |
| SGBP3 2021-2027 | Herstel en natuurvriendelijke inrichting oevers van de gemeente Stichtse Vecht | Gemeente Stichtse Vecht richt oevers natuurvriendelijk in wanneer zij de huidige oeverbescherming vervangt. | Gemeente Stichtse Vecht | 2021-2027 | |
| SGBP3 2021-2027 | Natuurvriendelijke dijkreconstructie | Deze maatregel komt uit het vastgestelde boezemplan. Gegarandeerd moet worden dat de ecologische waterkwaliteit bij ingrepen in de boezem niet verslechtert. De inrichting van de boezem bepaalt of deze geschikt is als leefmilieu voor flora en fauna en is daarmee van invloed op de ecologische waterkwaliteit. Voldoende ondiep oppervlak, een flauw talud en verbinding tussen land en water zijn van belang voor de ecologie. Ingrepen in de inrichting van de boezem kunnen er ook voor zorgen dat de waterkwaliteit verbetert. De schatting is dat 20% van de beschoeide oeverlengte aangepast kan worden. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2021-2027 | |
| SGBP2 2015-2021 | Flexibel peilbeheer in boezemwateren | Zou P-belasting kunnen verminderen en habitat voor emerse vegetatie creëren | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | niet | |
| SGBP2 2015-2021 | Uitvoeren beschermingsmaatregelen voor behoud natuurvriendelijke oevers (voortzetten) | De NVO’s zijn van wilgentenen en "“slijten”" snel. Als de achterliggende vegetatie nog kwetsbaar is, moet de NVO worden hersteld. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2015-2021 | |
| SGBP2 2015-2021 | Verwijderen waterkeringen | Deze maatregel leidt tot herstel van een onbelemmerd stromende rivier. Maar ook tot verlies van de meeste functies. De keringen zijn onderdeel van de karakterschets van dit sterk veranderde waterlichaam. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | niet | |
| SGBP1 2009-2015 | Aanleggen en onderhouden natuurvriendelijke oevers Vecht, fase 1 | Het gaat om zowel het aanleggen van nieuwe natuurvriendelijke oevers op locaties waar dit binnen het bestaande profiel mogelijk is als om het opknappen van bestaande natuurvriendelijke oevers. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2009-2015 | |
| SGBP1 2009-2015 | Aanleggen schuilplaatsen voor Snoek (buizen) | De maatregel betreft het aanleggen van voldoende paai- en rustlocaties voor Snoek. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | niet | |
| SGBP1 2009-2015 | Toepassen ecologisch onderhoud oevers hoofdwateren - fase 1 | Een gebiedsbrede maatregel in alle waterlichamen | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2009-2015 | |
| SGBP1 2009-2015 | Uitvoeren beschermingsmaatregelen voor behoud natuurvriendelijke oevers | Een set van maatregelen om schade aan oevers door vaarbewegingen boten te beperken | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2009-2015 | |
|
|
SGBP3 2021-2027 | Enten onderwaterplanten in luwe zones van de Vecht | Na vele jaren slechte toestand zijn er waarschijnlijk onvoldoende diasporen van submerse planten. Daarmee wordt het herstel ernstig vertraagd. Experimenten in de Vecht, maar ook elders, laten zien dat herintroductie het herstel kan stimuleren. Onder luwe zones vallen de huidige en nieuwe NVO’s, het Slijk en De Nes. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2021-2027 |
| SGBP2 2015-2021 | Vispasseerbaar maken van sluizen, gemalen en stuwen - fase 2 | Het Loosdrecht gemaal is niet visveilig: er wordt nu bij voorkeur met een Vijzel gemalen omdat deze veiliger is voor vis dan een andere pomp. Maar ook de vijzel is onvoldoende veilig eigenlijk (10 % schade aan aal, grote aantallen). Een optie om dit op te lossen is om de visveilige pomp (een Nijhuis) in (bijna naastgelegen) sluis Mijnden te koppelen aan het gemaal als 2e of 3e pomp. Deze pomp heeft namelijk een hoge capaciteit. Door die pomp aan te zetten bij een open sluisdeur aan de Vechtzijde, benut je zomaar ca. 100 kuub/min aan extra pompcapaciteit. Bij gemaal Terra Nova ligt de nadruk op de hoge schade (aan aal) in het huidige gemaal. Er ligt geen sluis die makkelijk 2-zijdige passage mogelijk maakt en het kleine gemaal. Een 2-zijdige passage door een gemaal vraagt veel ruimte en dat is niet aanwezig. Gezien de kleine omvang van Terra Nova is intrek van vis ook minder belangrijk en mogelijk zelfs onwenselijk (er wordt op dit moment brasem weggevangen). Mocht blijken dat er toch een nieuw gebouw moet worden neergezet, dan kan tegen weinig meerkosten wel een 2-zijdige passage worden gerealiseerd op deze locatie en dit zou dan opnieuw moeten worden afgewogen. De schade bij gemaal Spiegelplas is fors en betreft ook flink wat aal (die we nu opvangen met fuiken voor het gemaal). De maatregel om gemaal SPiegelplas vispasseerbaar te maken was eigenlijk voorzien in het WGP, maar daar uit gehaald vanwege de relatief hoge kosten. Het gaat hier om 1-zijdige passage de Spiegelplas uit. Via de sluis kan vis migereren van de Vecht naar de Spiegelplas. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2015-2021 | |
| SGBP1 2009-2015 | Vispasseerbaar maken sluizen, gemalen en stuwen - fase 1 | Bij zeesluis Muiden is het beheer aangepast zodat vis tijdens de trekperiode kan passeren. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2009-2015 |
Disclaimer: SGBP3 maatregelen zijn nog niet bestuurlijk vastgesteld en kunnen nog worden gewijzigd.
Verlegging uitwatering Naardermeer; verkleining door excluderen boezemland Maarssen, Oud-Zuilen en Nuon centrale, omdat deze deelgebieden een ander watertypen hebben en onder invloed van andere drukken staan.
In dit waterlichaam wordt de vegetatie 1 keer per 3 jaar gemeten. Macrofauna wordt 1 x per 6 jaar gemeten. Fytoplankton wordt 1 keer per 6 jaar gemeten. Vis wordt 1 x per 6 jaar gemeten. Daarnaast worden maandelijks verschillende fysisch chemische parameters gemeten in het waterlichaam en het inlaatwater van het waterlichaam.
Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).
Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.
Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.
Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.
Waterlichaam De waterlichamen vormen de basisrapportageeenheden van de KRW. Op basis van artikel 5 KRW zijn in 2004 Nederlandse oppervlaktewateren aangewezen als KRW-waterlichamen: natuurlijk, kunstmatig2 of sterk veranderd. Een oppervlaktewaterlichaam kan als kunstmatig of sterk veranderd worden aangewezen vanwege ingrepen in de hydromorfologie (art. 4 lid 3 KRW), die het bereiken van de Goede Ecologische Toe-stand verhinderen. In Nederland zijn vrijwel alle waterlichamen kunstmatig of sterk veranderd.
Emerse waterplanten Emerse waterplanten steken gedeeltelijk boven het wateroppervlak uit en wortelen in de (water)bodem.
Helofyten De moerasplanten of helofyten kan men vinden in vochtige gebieden, oevers, tijdelijke wateren en overstromingsgebieden. Typerend voor vele moerasplanten is dat ze zich hebben aangepast aan een droge periode (zoals het uitdrogen van een rivierbedding) en een periode van gedeeltelijke of volledige onderdompeling. Voor sommige soorten is deze afwisseling noodzakelijk voor het bestaan. Terwijl de ‘echte’ waterplanten niet in de bodem wortelen en vaak onder water kunnen leven (met uitzondering van de bloeiwijzen), wortelen de helofyten of moerasplanten in de bodem en steken gewoonlijk boven de wateroppervlakte uit.
Submerse waterplanten De term submers (ondergedoken) wordt gebruikt voor waterplanten die geheel onder water groeien. Alleen de bloeiwijze kan bij sommige soorten boven het water uitsteken.
Hydrofyten De ‘echte waterplanten’ of hydrofyten komen voor in stilstaande of traag stromende permanente meren of rivieren. Deze planten zijn aangepast aan een submers leven. Indien het biotoop uitdroogt wordt het voortbestaan van deze planten bedreigd. De wortels dienen tot verankering van de plant. De stengels kunnen tot tien meter lang worden en zijn soepel en buigbaar. De drijvende bladeren kunnen hierdoor aanpassen aan de waterstand, waardoor de lichtopname niet in het gedrang komt. Andere soorten drijven, onafhankelijk van de bodem, net onder of boven het wateroppervlak. Er bestaan dus hydrofyten met zowel een submerse als emerse groeivorm. In beide gevallen zullen de voedingstoffen hoofdzakelijk via het blad opgenomen worden.
GAF Een afvoergebied of een cluster van peilgebieden met als gemeenschappelijk kenmerk dat ze via een gemeenschappelijk punt hun water lozen op een hoofdsysteem.
EAG Ecologische analysegebieden zijn nieuwe opdelingen van de bestaande af- en aanvoergebieden (GAF’s), meestal (delen van) polders. De opdeling in EAG’s is gemaakt op basis van een aantal kenmerken zoals vorm, verblijftijd, waterdiepte, strijklengte, de aanwezigheid van kwel of wegzijging en de afvoerrichting van het water. Een EAG valt altijd volledig binnen een afvoergebied. Af-en aanvoergebieden, maar ook KRW-waterlichamen, zijn dus opgebouwd uit één of meer EAG’s.
KRW Kaderrichtlijn water
N2000 Natura 2000 De verzameling van Nederlandse natuurgebieden die in Europees verband een beschermde status genieten (Vogel- en habitatrichtlijngebieden).
EKR Ecologische kwaliteitratio, een getal tussen 0 en 1 waarmee de kwaliteit van een ecologische parameter wordt aangegeven. 0 is zeer slecht, 1 is zeer goed. De grens voor het GEP wordt gewoonlijk bij een EKR van 0,6 gelegd.
Biologisch kwaliteitselement Een ecologische groep de waarmee de situatie van het waterlichaam wordt beoordeeld. Gebruikt worden: fytoplankton en diatomeeën (algen), waterplanten, macrofauna (waterdieren) en vissen.
Maatlat Een schaal die gebruikt wordt om de situatie van een ecologische parameter te beoordelen. De uitkomst is een EKR.
Deelmaatlat Voor elk biologisch kwaliteitselement zijn één of meerdere deelmaatlattenonderscheiden op basis van de soortsamenstelling en de (relatieve) aanwezigheidvan soorten, en voor vis de leeftijdsopbouw. De uitkomst is een EKR.
Indicator Een verder opdeling van biologische deelmaatlatten. De uitkomst is in een aantal gevallen een EKR.
GEP of KRW doel De KRW heeft voor natuurlijke waterlichamen als doel dat een goede toestand (zowel ecologisch als che-misch) moet worden gehaald (GET). Voor de kunstmatig of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen moet een goed ecologisch potentieel (GEP) en een goede chemische toestand worden bereikt. Het GEP voor rijkswateren wordt afgeleid door Rijkswaterstaat namens de Ministers van Infrastructuur en Waterstaat, Economische Zaken en Klimaat (en mogelijk Landbouw, Visserij en Voedselveiligheid) en gepresenteerd in het Beheerplan rijkswateren (BPRW, vastgesteld door de ministers). De provincies zijn verantwoordelijk voor het afleiden van het GEP voor regionale wateren. Dit gebeurt in regionale waterplannen. Hoewel de provincie formeel het GEP moet vaststellen in het regionaal waterplan, levert het waterschap vanwege de kennis over watersystemen meestal het GEP aan, als beheerder van het regionaal oppervlaktewaterlichaam. Beide kunnen hierbij de Handreiking KRW-doelen volgen. De KRW biedt uitzonderingsmogelijkheden waarbij het doel later (doelvertraging) of niet (minder streng doel) gehaald hoeft te worden. Alleen in het laatste geval is het GEP niet meer het doel. In deze handreiking is het GEP-synoniem voor het doel, tenzij anders aangegeven. In hoofdstuk 3 en 4 wordt het afleiden van de doelen technisch beschreven.
SGBP Naast het definiëren van waterlichamen en doelen schrijft de KRW voor dat er stroomgebiedbeheerplan-nen (SGBP) worden opgesteld (art. 13 KRW). De bouwstenen van de stroomgebiedbeheerplannen staan in de waterplannen van het Rijk en de provincies en in de beheerplannen van de waterbeheerders. De SGBP’s geven een overzicht van de toestand, de problemen, de doelen en de maatregelen voor het verbeteren van de waterkwaliteit voor de inliggende waterlichamen. Nederland kent vier stroomgebieden: Rijn, Maas, Schelde, en Eems. De beheerplannen voor de stroomgebie-den worden iedere zes jaar geactualiseerd. Volgens bijlage VII van de KRW bevatten de SGBP’s onder andere:de beschrijving van de kenmerken van het stroomgebieddistrict;de ligging, begrenzing en typering van waterlichamen (voor sterk veranderd en kunstmatig inclusief een motivering); de huidige toestand op basis van de resultaten van de monitoring over de afgelopen periode;de doelen voor waterlichamen en een eventueel beroep op uitzonderingsmogelijkheden inclusief motivering; een samenvatting van de te nemen maatregelen om de doelen te bereiken.
Watersysteemanalyse Om goede keuzes te maken voor doelen en maatregelen is het essentieel te weten hoe een waterlichaam werkt. De systeemanalyse heeft als doel inzicht te verschaffen in het systeemfunctioneren, wat via verschillende methoden bereikt kan worden. Dit vormt het vertrekpunt voor het antwoord op de vraag hoe (met welke maatregelen) kan worden gekomen tot een betere toestand. Zonder goed inzicht in het systeem-functioneren is het risico groot dat niet de juiste maatregelen in beeld zijn, of dat maatregelen uiteindelijk niet opleveren wat ervan wordt verwacht.